Inzageverzoek mag niet worden afgewezen vanwege bewijsdoel
Een Oostenrijkse appelrechter heeft geoordeeld dat een verhuurder een inzageverzoek niet mocht afwijzen enkel omdat de huurder de opgevraagde gegevens mogelijk wilde gebruiken als bewijs in een gerechtelijke procedure. Ook verwierp de rechter het standpunt dat sprake was van misbruik van recht. Daarnaast oordeelde het hof dat de verhuurder onvoldoende had onderbouwd dat de persoonsgegevens van de huurder als bedrijfsgeheimen konden worden aangemerkt en om die reden aan haar mochten worden onthouden.
Feiten
De betrokkene huurde een appartement van de verwerkingsverantwoordelijke. Tussen partijen liep een gerechtelijke procedure over de beëindiging van de huurovereenkomst. Tijdens deze procedure bracht de betrokkene foto’s en documenten in het geding die er volgens haar op wezen dat de verhuurder haar mogelijk had gemonitord.
Naar aanleiding hiervan diende de betrokkene een inzageverzoek in op grond van de AVG. Daarbij werd onder meer gevraagd om inzage in de persoonsgegevens die over haar werden verwerkt, waaronder gegevens over het verbruik van verwarming en warm water. De verwerkingsverantwoordelijke weigerde aan verzoek te voldoen. Volgens de betrokkene leidde deze weigering tot gevoelens van machteloosheid, stress en onzekerheid over de mate waarin haar privéactiviteiten waren gevolgd en haar persoonsgegevens waren verwerkt. Daarom vorderde de betrokkene een immateriële schadevergoeding.
De verwerkingsverantwoordelijke stelde dat sprake was van misbruik van recht, omdat het inzageverzoek uitsluitend zou zijn ingediend om bewijs te verzamelen voor de lopende huurprocedure. Volgens de verhuurder had de betrokkene vóór de gerechtelijke procedure nooit belangstelling getoond voor deze gegevens. Daarnaast voerde de verhuurder aan dat de gevraagde informatie beschermd moest worden als bedrijfsgeheim.
Verder verzocht de verwerkingsverantwoordelijke de behandeling van de zaak aan te houden totdat zowel de huurprocedure als de procedure bij de Oostenrijkse toezichthouder definitief waren afgerond.
De rechter in eerste aanleg wees dit verzoek af en stelde de betrokkene in het gelijk. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van misbruik van recht, omdat het inzageverzoek een legitiem doel diende, namelijk het verkrijgen van inzicht in de verwerkte persoonsgegevens en het controleren van de rechtmatigheid van de verwerking, zoals ook volgt uit overweging 63 van de AVG. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat een beroep op bedrijfsgeheimen slechts in uitzonderlijke gevallen het recht op inzage kan beperken. Het enkele feit dat de verhuurder wilde voorkomen dat de betrokkene een procesvoordeel zou verkrijgen in de huurprocedure, vormde daarvoor geen voldoende rechtvaardiging.
De verwerkingsverantwoordelijke stelde vervolgens hoger beroep in bij het Oberlandesgericht Wien, het Hoger Regionaal Gerechtshof van Wenen. In hoger beroep handhaafde de verhuurder het standpunt dat het inzageverzoek misbruik van recht vormde en dat inzage terecht was geweigerd ter bescherming van bedrijfsgeheimen.
Oordeel
Het hof verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-132/21. Daaruit volgt dat een betrokkene verschillende rechtsmiddelen uit de AVG naast elkaar en onafhankelijk van elkaar kan inzetten, waaronder een procedure bij de toezichthouder en een civiele procedure. Het hof zag daarom geen aanleiding om de civiele procedure aan te houden. Daarbij was van belang dat in de andere procedures nog geen onherroepelijke beslissing was genomen.
Daarnaast bevestigde het hof dat een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG geen misbruik van recht oplevert wanneer het een legitiem doel dient, zoals bedoeld in overweging 63 van de AVG. Zo verwees het Oberlandesgericht naar Oostenrijkse rechtspraak waarin, in aansluiting op C‑307/22, al was geoordeeld dat een inzageverzoek ook mag worden gebruikt om bewijs voor een gerechtelijke procedure te verzamelen. Zelfs als bewijsverzameling het enige doel van het verzoek was geweest, zou dat volgens het hof nog geen misbruik van recht opleveren. Ten aanzien van het beroep op bedrijfsgeheimen overwoog het hof dat de betreffende informatie geheim moet zijn, commerciële waarde moet hebben omdat zij geheim is en moet zijn onderworpen aan adequate maatregelen om haar geheim te houden. De verhuurder had niet aannemelijk gemaakt hoe de persoonsgegevens van de huurder tegenover diezelfde huurder als bedrijfsgeheim konden gelden. Ook had de verhuurder niet onderbouwd dat de gegevens vanwege hun geheime karakter commerciële waarde hadden of betrekking hadden op bijvoorbeeld interne bedrijfsprocessen of technische verwerkingsmethoden. Het hof benadrukte dat noch de AVG, noch het Oostenrijkse burgerlijk procesrecht ruimte biedt om informatie strategisch achter te houden uitsluitend om de eigen procespositie te versterken.
In hoger beroep werden twee afzonderlijke rechtsmiddelen beoordeeld. Het hoger beroep tegen de weigering om de procedure aan te houden werd niet-ontvankelijk verklaard, terwijl het inhoudelijke hoger beroep tegen het vonnis ongegrond werd verklaard. De eerdere uitspraak bleef in stand, waaronder de toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 1.000 aan de betrokkene.